Langzaam sijpelde het mijn hoofd binnen: Peter Zantingh over zijn liefde voor The National
 


In 2008 kwam er een documentaire uit over The National, A Skin, A Night. De film gaat over het opnemen van het vierde studioalbum, Boxer, en de nasleep van voorganger Alligator. Het geld dat ze daar zelf in hadden gestopt, hadden ze er net uit. The National draaide quitte.

peterIn A Skin, A Night bespreken de bandleden wat ze maken – of, doen ze dat wel? Alle vijf lijken ze de grootste moeite te hebben onder woorden te brengen waarom ze doen wat ze doen. Het is een komen en gaan van ‘kind of’, ‘you know’ en ‘I guess’. Hoe kunnen die muzikanten zo’n moeite hebben iets onder woorden te brengen, terwijl ze zich via muziek zo gelaagd uiten, zo mystiek klinken in teksten die net genoeg herkenning oproepen om als luisteraar op zoek te willen gaan naar de diepere betekenis erachter? Voor de camera, gevraagd naar het proces achter die creativiteit, bleef er weinig over.
Er viel niet zoveel uit te leggen. Liever niet, zelfs.

Ik leerde The National in 2007 kennen via een vriend en huisgenoot. Ik sloot mijn externe harde schijf aan op zijn laptop en hij sleepte drie mapjes naar de overkant. Het balkje liep vol. Sad Songs For Dirty Lovers. Alligator. Boxer. Opmerkelijke titels.

Dat najaar luisterde ik er af en toe naar. Ik hoorde een stem die me deed denken aan Jarvis Cocker van Pulp, zwaar en beladen.

Boxer

Boxer (2007)

Het duurde lang, tot in de lente, voordat ik het begon te begrijpen. Ik luisterde steeds meer naar Boxer. Zat in de bus en tikte keer op keer de nummers aan. Langzaam sijpelde het mijn hoofd binnen. Het aarzelende begin van openingsnummer ‘Fake Empire’, de slepende bariton van Berninger – alsof je krankzinnig wordt, zo lijzig als hij de woorden je gehoor binnenduwt. We-’re ha-lf a-wa-ke. In a. Fake. Em-pire.
Dan die blazers aan het eind. Vreemd. Niet op z’n plaats.

Gaandeweg groeide de liefde. Ik raakte verslaafd aan de drums uit ‘Brainy’, de piano uit ‘Ada’ en de knullige liefdesverklaring die ‘Slow Show’ is. En ook aan die blazers uit ‘Fake Empire’.

The National – Fake Empire (2007)

In de jaren erna had ik elke paar maanden een nieuw favoriet nummer. Ik kan me het moment van ‘Daughters of the Soho Riots’ herinneren, de zon scheen, een Amsterdamse metro. Een man op straat die eens vroeg waar ik naar luisterde en na het antwoord heel hard ‘Mr. November’ begon te zingen. ‘Vanderlyle Crybaby Geeks’, akoestisch tijdens Crossing Border. Het vieren van kleine triomfen met ‘All The Wine’. ‘Cherry Tree’, ‘s avonds, hard en nijdig. En sinds deze zomer ‘Humiliation’ en ‘Graceless’, met zinnetjes om stiekem mee te zingen wanneer ik naar de trein loop.

The National – Graceless (2013)

Maar zelfs nu, zeven jaar en twee albums na Boxer, kan ik mijn liefde voor The National niet onder woorden brengen zoals ik zou willen. Wat maakt ze goed? Wat maakt dat ik op feestjes op zoek ga naar die ene ander die het ook geweldig vindt? Waarom heb ik sinds die avond met mijn huisgenoot naar geen enkele andere band ook maar half zoveel geluisterd? Waarom voel ik zoveel bij ‘Ada, I can hear the sound of your laugh through the wall’? En wat moet ik met een zin als ‘I was teething on roses, I was in guns and noses’, welbeschouwd niet meer dan een potsierlijke woordgrap?

Ik weet het niet. Er zit nog iets achter dat wat ik hoor, maar het is niet onder woorden te brengen. Dat geeft niet, zo hoort het. Zo doen die jongens het zelf ook.


Luister de door Peter genoemde liedjes in onderstaande playlist:

Volg Peter op Twitter.

Like Gobsmag op Facebook:

Geplaatst door in de categorie op